Van primitieve hersenen naar modern brein

Een speculatieve, maar verrassende schets van deze ontwikkelingsgang.

 

J. de Ruiter

26 januari 2013

 

 

Een terrein waar zeer veel vragen nog onbeantwoord zijn is de oorsprong van denken. Denken en de relatie tussen taal en denken plaatsen ons nog steeds voor grote wetenschappelijke problemen.

Waar men over eens is is dat de eerste stap naar taal symbolisch denken is. Symbolisch denken, de vorm van denken die zo’n beetje bij peuters begint, houdt in dat fysieke objecten  gerepresenteerd kunnen worden door symbolen (woorden, afbeeldingen, …). Van grammatica is dan nog niet direct sprake.

De oudste vondsten op het gebied van rotsschilderingen en andere kunstuitingen gaan terug op een ouderdom van ca. 70.000 jaar. Dit zou kunnen betekenen dat het gebruik van taal hooguit zo’n 70.000 jaar oud is en dus dateert van na de komst van homo sapiens, ca. 200.000 jaar geleden. Andere opvattingen daarentegen vermoeden dat de oorsprong van taal al veel eerder is ingezet.

 

Hoe dan ook, het ontstaan van taal is voor een groot deel nog in nevelen gehuld en de relatie tussen taal en denken blijft een centraal probleem in de psycholinguïstiek.

 

Op het punt van schrift liggen de zaken duidelijker. De oudste geschreven tekst is nog geen 6.000 jaar oud. We kunnen dus wel concluderen dat er kennelijk heel veel tijd nodig is geweest om van taal naar schrift te komen.

 

 

1. Een speculatieve schets van de ontwikkelingsgang van primitieve hersenen naar modern brein.

 

Dat er een zeer hechte relatie tussen taal en denken is, is overduidelijk, maar wetenschappelijk gezien zijn er helaas meer vragen dan antwoorden. Voor diverse wetenschappelijke vakgebieden zoals evolutiepsychologie, sociobiologie, psycholinguïstiek enz. liggen hier dan ook talrijke onderzoeksvragen. Deze vragen hebben niet alleen betrekking op wanneer welke stappen in de evolutie van taal en denken bereikt zijn, maar vooral ook op wat de aard van deze stappen is.

Het is dus van betekenis om beschouwingen op te zetten over eventuele hoofdlijnen in het ontwikkelingsproces van het menselijke denken en de aard van deze hoofdlijnen.

 

In het hierna volgende wordt zo’n beschouwing opgezet. Deze is per definitie speculatief en wel om de volgende reden:

De fasen in de ontwikkelingsgang van primitieve hersenen naar modern brein zullen waarschijnlijk inhouden dat bij elke volgende fase zowel het brein (1), de taal (2) alsmede het samenspel van deze twee (3) een stukje opgeschoten zijn. Als ik nu vanuit de voorgaande fase de overgang naar de volgende fase probeer schetsen, dan zou ik eigenlijk de stand van zaken in de vorige fase m.b.t. 1, 2 en 3 moeten kennen. Met mijn moderne brein is dat echter zeer moeilijk!

 

Een dergelijke beschouwing heeft alleen zin als het een redenering is met een zekere mate van plausibiliteit (hoe klein misschien ook), waarbij de waarde van de gegeven beschouwing dan bepaald wordt door de mate waarin deze beschouwing een aantal reeds bekende fenomenen kan verklaren.

Op deze manier kan een model ontstaan, dat daarna dan verder getoetst kan worden aan nieuwe inzichten of waarnemingen en op grond hiervan bijgesteld kan worden. De uiteindelijke resultante is dan een model dat houdbaar blijft, maar wel met steeds verfijningen of bijstellingen, of een model dat niet houdbaar blijkt en verworpen moet worden.

Dit is een essentiëel criterium voor reguliere wetenschap en hierin onderscheidt reguliere wetenschap zich dan ook van pseudowetenschap.

 

Aan de hand van een simpele hypothese, die algemeen aanvaard wordt in disciplines als evolutiepsychologie, sociobiologie, psycholinguïstiek, enz., kan (in meerdere of in mindere mate) plausibel gemaakt worden welke aandachtsgebieden (of misschien moeten we liever fasen, prioriteiten of eventueel alleen maar hoofdlijnen zeggen) in de ontwikkeling van het menselijke denken waarschijnlijk dominant waren en hoe daarmee mogelijk de basis werd gelegd voor de verdere ontwikkeling van de menselijke denkcapaciteit.

In de cognitiewetenschap wordt gesteld dat onze hersenen ontwikkeld zijn voor een effectieve interactie met de omgeving. Zij moeten de response van het lichaam op de omgeving bepalen. Waarnemen en handelen zijn daarbij cruciaal. Volgens de psycholinguïst Steven Pinker is onze geest primair ontwikkeld om problemen op te lossen die voor onze verre voorouders een kwestie van leven of dood waren. Dit elementaire principe wordt wetenschappelijk algemeen aanvaard. Dit simpele principe strekt evident tot evolutionair voordeel.

In onze schets van de ontwikkeling van het menselijke denken is dit simpele principe het centrale uitgangspunt. De bedoeling is te laten zien dat aan de hand van alleen dit eenvoudige principe een aantal belangrijke hoofdlijnen in de ontwikkeling lijkt te kunnen worden geschetst.

Deze hoofdlijnen karakteriseren we aan de hand van het begrip aandachtsgebied, hier gedefiniëerd als:

een bepaalde soort situaties en fenomenen waar de aandacht en het denken zich op richten.

Zoals al opgemerkt is niet uit te sluiten dat aandachtsgebied staat voor fase, prioriteit of hoofdlijn. Dat wordt in onderstaande beschouwing in het midden gelaten.

 

Vier aandachtsgebieden lijken dan belangrijk geweest te zijn in de ontwikkeling van het menselijke denken.

 

Aandachtsgebied 1

 

Onze geest is via natuurlijke selectie ontwikkeld om problemen op te lossen die voor onze voorouders een kwestie van leven of dood waren. De geest is niet ontwikkeld om maar iedere vraag te beantwoorden die we kunnen verzinnen.

(Steven Pinker)

 

Het ging dus allereerst om het duiden van direct (levens)bedreigende situaties waarbij snel handelen geboden was. En dan vooral de zichtbare bedreigingen. Wat is hier aan de hand? Wat kan/moet ik nu doen? Een goede duiding biedt dan kans op een succesvolle strategie: snel en effectief handelen.

De impuls voor het denken is hier dus (doods)angst.

Belangrijke voorbeelden van ernstige dreiging: aanvallen van dieren of (groepen van) mensen, of andersoortige plotselinge en dreigende situaties die men tegenkomt.

De volgende keren kunnen bedreigende situaties herkend worden en kan de al bedachte en beproefde strategie sneller worden ingezet. Gaandeweg worden meer en meer bedreigende situaties vanzelfsprekend. Dit komt het overleven ten goede.

Te verwachten is dan dat het kunnen geven van verklaringen voor bedreigende of gevaarlijke situaties ook zal leiden tot gevoelens van veiligheid, zelfvertrouwen en zekerheid.

 

Aandachtsgebied 2

Het gaat hier om het geven van verklaringen voor meer indirect (levens)bedreigende situaties waarbij snel en adequaat handelen minder goed mogelijk of minder geboden is.

Belangrijk voorbeeld: ziekte.

De basis voor het denken is hier bezorgdheid, ongerustheid.

Het zal duidelijk zijn dat hier, met name bij ziektes, het geven van verklaringen en het bedenken van oplossingen in het algemeen niet mogelijk was, omdat inzicht in de materie nog volledig ontbrak. De drang om naar verklaringen en oplossingen te zoeken was echter wel aanwezig. Directe feedback op de interpretatie van de ziekte en de gekozen behandeling (voor zover mogelijk) was er niet. Hier zullen dus vermeende verklaringen en vermeende oplossingen ontstaan. Een aantal vermeende oplossingen zal wel de schijn van werking hebben.

 

Aandachtsgebied 3

De ontwikkelde denkkracht, die in bedreigende situaties zeer relevant is, zal ook op andere gebieden toegepast worden. Opmerkelijke fenomenen trekken de aandacht en de aanwezige denkkracht zal ingezet worden voor vragen in de trant van: wat is dit, wat gebeurt hier, hoe zit dit in elkaar en ook, waarom gebeurt dit?

De basis is niet meer zozeer (doods)angst of bezorgdheid/ongerustheid, maar meer verwondering of nieuwsgierigheid.

De opmerkelijke fenomenen die de aandacht trekken zullen voornamelijk liggen in de sfeer van natuurverschijnselen of handelingen van mensen en dan met name opmerkelijke vermogens van mensen. Onbekende, nog niet eerder opgemerkte fenomenen zullen dan de belangrijkste kandidaten zijn voor de interesse van het menselijke brein.

 

Aandachtsgebied 4

Het zoeken naar verklaringen heeft zo’n belangrijke rol gespeeld dat hieruit gaandeweg de neiging is ontstaan om voor alles een verklaring te willen vinden. Onontkoombaar zullen dan ook de meest algemene vragen "hoe zit het geheel nu in elkaar?" en “waartoe dient dit alles” daarbij gaan horen. Geen specifieke vraagstelling meer, maar de meest generieke vraagstelling! Het geloof in een hogere macht komt dan al snel om de hoek kijken.

De kiem hiervoor is al vroeg in de ontwikkelingsgeschiedenis van het menselijke denken ontstaan. Alleen al onbegrepen natuurverschijnselen zoals donder en bliksem zullen al gauw doen denken dat hier de hand van een superwezen ergens boven in het geding is. Dus al in een zeer vroeg stadium zal de gedachte aan een hogere macht zijn opgekomen.

Maar ook een andere trigger speelt hierbij een rol. De mens gaat vroeger of later beseffen dat hij voor alles wat hij doet een reden heeft. Dan ligt het voor de hand te denken dat ook de (onbekende) hogere macht zijn/haar redenen heeft.

 

De mens kan zich dus (bijna) niet voorstellen dat de natuur / de wereld / de kosmos / het geheel der dingen geen doel, ontwerp, goed of kwaad kent.

De resultante van het geheel is dan wat we religie noemen. Andere termen zijn: een theorie over “alles” of geloofssysteem (belief system). Zie [2] blz. 323.

 

Voor alle vier hiervoor genoemde aandachtsgebieden geldt, in meerdere of mindere mate:

over de vragen en antwoorden zal onvermijdelijk gediscussiëerd worden in de groep. Discussie zal in een aantal gevallen leiden tot betere antwoorden en er zullen ook antwoorden ontstaan waar de hele groep het over eens is.

Antwoorden die (in belangrijke mate) gedeeld worden binnen de groep zullen worden overgedragen op volgende generaties. Dergelijke antwoorden zullen dan een ontwikkelingslijn doormaken.

De ingebakken drang om vragen te stellen en antwoorden te zoeken leidt dus tot communicatie in de groep en gedeelde antwoorden zullen bijdragen aan de groepsbinding.

 

Het lijkt niet onaannemelijk dat deze vier aandachtsgebieden een belangrijke rol gespeeld hebben in de ontwikkelingsgeschiedenis van het menselijke denken.


Schematisch overzicht van het voorgaande:

 

 

 

Aandachtsgebied

 

Drijfveer

Impuls

 

Relevantie (m.b.t. overleven) van verklaringen voor onze verre voorouders

 

 

Resultante

 

1.

Directe (levens)bedreigende situaties waarbij snel handelen geboden is, zoals:

  - aanvallen van dieren

  - aanvallen van mensen

  - andersoortige dreigingen

 

 

 

(Doods)angst

 

 

Hoog

 

 

Overlevingsstrategieën

 

2.

Indirecte (levens)bedreigende situaties waarbij snel handelen minder goed mogelijk of minder geboden is, zoals:

  - ziekte

  - verwondingen

 

 

 

Bezorgdheid,

Ongerustheid

 

 

Minder hoog

 

 

Bij gebrek aan inzicht in de

materie:

vermeende verklaringen,

vermeende oplossingen

(met schijn van werking),

pseudo-theorieën

 

 

3.

Belangrijke / opmerkelijke fenomenen:

  - in de natuur

  - bij vermogens van mensen

  - niet eerder opgemerkt

 

 

Verwondering,

Nieuwsgierigheid

 

 

Lager

 

 

 

Vermeende verklaringen, door onvoldoende inzicht in de

materie

Pseudo-theorieën

 

 

4.

De wereld om je heen als geheel

 

 

 

Behoefte aan zingeving

 

 

Lager

 

 

 

Geloof in een hogere macht

Religie

Theorie over "alles"

(Belief system)

 

 

 

 

Het startpunt in de ontwikkeling van het menselijke denken is dus voor het grootste deel gericht geweest op overleven in directe levensbedreigende situaties. Pas in een latere ontwikkelingsfase kon het denken zich richten op minder directe bedreigingen. Verwondering, nieuwsgierigheid en zingeving kwamen vervolgens om de hoek kijken.

De laatste fase, het beoefenen van reguliere wetenschap, is voor de meeste kennisgebieden nog maar een paar honderd jaar geleden ingetreden, terwijl de eerste fase wellicht al honderduizenden jaren geleden ontstond.

Het is belangrijk te bedenken dat de ontwikkeling van het menselijke denken zich afgespeeld heeft gedurende een periode waarin nog geen enkele serieuze kennis bestond over het geheel der dingen om ons heen. Van enige kennis op het gebied van astronomie, natuurkunde, biologie enz. was nog geen sprake bij onze verre voorouders. De ontwikkeling van het menselijke denken was al afgerond lang voor het ontstaan van de eerste beschavingen.

Reguliere wetenschap is eigenlijk georganiseerde verwondering en nieuwsgierigheid, vanaf het moment dat er meer mogelijkheden ontstonden voor een serieuzere ontdekkingstocht naar het hoe en waarom van de dingen om ons heen. Gestructureerde, systematische en methodische aanpakken werden in toenemende mate ontwikkeld. Wetenschap leidde tot technologie en technologie werd weer een essentiëel hulpmiddel binnen de wetenschap.

Met het vorderen van reguliere wetenschap nam de ruimte voor vermeende theorieën af. Waar voorheen vermeende theorieën onvermijdelijk (en langdurig) waren, door (langdurig) gebrek aan inzicht in de materie, zijn vermeende theorieën nu in veel gevallen slechts tijdelijk mogelijk, tot het moment dat ze verworpen moeten worden op grond van nieuwe toetsresultaten.

In zekere zin is reguliere wetenschap op te vatten als een zeer laat vervolg op de aandachtsgebieden 1 t/m 4.

We kunnen dus nog een 5e laag aan het voorgaande schema toevoegen:

 

 

Aandachtsgebied

 

5.

Reguliere wetenschap

 

 

Drijfveer, impuls

 

 

Georganiseerde nieuwsgierigheid,verwondering

 

 

 

Resultante

 

 

Inzicht in de materie

Technologische vooruitgang

Milieuproblematiek

Enz.

 

 

 

2. Cognitieve erfenissen uit het verre verleden

 

Als we de voorgaande mogelijke schets van de ontwikkeling van het menselijke denken nog eens bekijken, dan kunnen we een aantal redelijk plausibel lijkende gevolgtrekkingen maken en een relatie leggen met een aantal denkmechanismen die in de hedendaagse mens nog steeds vertegenwoordigd zijn.

 

a.

In het hedendaagse menselijke denken zit nog steeds een diepverankerde neiging om snel een conclusie te trekken op basis van een snel geconcipiëerd beeld (en dus een vereenvoudigd beeld) van de situatie. Aandachtsgebied 1 ligt hieraan ten grondslag. Het was belangrijk met weinig details al een conclusie te kunnen trekken. Dit scheelde tijd. Het doel was immers: snel kunnen handelen. Zie [2] blz. 326.

Deze manier van denken was adequaat in direct levensbedreigende situaties en leidde dus tot evolutionair voordeel.

 

Het is verrassend om te zien dat hier al een techniek zichtbaar wordt die later in het wetenschappelijk tijdperk zeer relevant zou worden: het denken in modellen. Een ingewikkelde probleem kan vaak met vrucht benaderd worden door een vereenvoudigde versie van de werkelijkheid te definiëren die zich wel wetenschappelijk laat oplossen.

 

De keerzijde voor de moderne mens is echter: de neiging tot te snelle / te simpele conclusies.

 

Een tweede erfenis m.b.t. aandachtsgebied 1 is: de neiging tot selectieve waarneming.

Er kan sneller gehandeld worden als men al een vermoeden of verwachting heeft van wat er aan de hand is of van wat er staat te gebeuren. Men heeft dan minder waarnemingen nodig.

 

b.

Het zoeken van verklaringen was van vitaal belang. In aandachtsgebied 1 leidde dat tot overlevingsstrategieën en dus tot angstreductie, gevoel van veiligheid, zelfvertrouwen en zekerheid. In aandachtsgebied 2 leidde dat tot vermeende verklaringen en vermeende oplossingen, maar dan wel vaak met de schijn van werking. Het gevolg was ook hier een bijdrage aan angsreductie en vertrouwen.

 

We wilden een verklaring, want die was nodig om te kunnen handelen. We vonden die ook meestal, als het ging om aandachtsgebied 1 en 2. Dus de neiging ontstond gaandeweg om te geloven dat er altijd een verklaring is. Het leereffect was ook dat je vertrouwen kon hebben in de gevonden verklaring.

De erfenis voor de moderne mens is een sterke neiging om in causale verbanden te denken.

 

c.

De resultante van de aandachtsgebieden 1, 2 en 3 is een nu nog steeds belangrijk kenmerk van het menselijke brein, vaak aangeduid als fascinatie voor het onbekende.

Deze fascinatie is evolutionair gezien uitermate relevant geweest. Het leidde in de eerste plaats tot mogelijkheden van het brein om ernstige bedreigingen succesvol het hoofd te bieden, maar het leidde ook, door de niet te onderdrukken neiging tot duiding, tot de mogelijkheden om kansen te herkennen. Een onverwachte c.q. onbekende situatie duiden kan leiden tot de conclusie dat hier niet sprake van een bedreiging is maar juist van een kans.

 

d.

Als het vinden van een verklaring van zo’n fundamenteel belang was, dan mogen we verwachten dat het niet kunnen vinden van een verklaring ook belangrijke consequenties had.

Voor aandachtsgebied 1 betekende dit: het niet kunnen duiden van de bedreiging, met als gevolg instandhouding van de angst. De mogelijke reacties waren dan: aanvallen of vluchten. Iets algemener: agressie of regressie. Sommige auteurs gaan zo ver agressie te extrapoleren tot wetenschap en regressie tot religie. Zie [2] blz. 335 en 336.

Het niet kunnen verklaren van ziekte (aandachtsgebied 2) betekende instandhouding van de bezorgdheid / ongerustheid en daarmee toenemende ontvankelijkheid voor andermans (vermeende) verklaringen.

Veemde / niet eerder opgemerkte verschijnselen / vreemde vermogens  (aandachtsgebied 3) bleven de aandacht houden totdat een (vermeende) verklaring gevonden was. Het zal duidelijk zijn dat de verklaring dan meestal gevonden werd in de sfeer van wat wij nu bovennatuurlijke krachten of vermogens noemen. De erfenis voor de moderne mens is: de neiging / behoefte in bovennatuurlijke krachten en vermogens te geloven. Deze neiging werd door Paul Kurtz, hoogleraar filosofie en oprichter van de Amerikaanse pendant van Skepsis (CSICOP), de transcendente verleiding genoemd. Zie [1].

Voor aandachtsgebied 4 speelde het niet kunnen vinden van een verklaring niet direct. De behoefte aan zingeving, kijkend naar de wereld om je heen als geheel, kon hier invulling krijgen in de vorm van een (in principe) willekeurig geloofssysteem. De kans op weerlegging was miniem, gezien de onoverbrugbare afstand tussen het belief system en de dagelijkse werkelijkheid.

 

e.

De beschouwing aan de hand van de eerste vier aandachtsgebieden maakt ook duidelijk hoe fundamenteel de behoefte aan zingeving, geloof in bestiering en geloof in een hogere macht zijn.

 

f.

Experimenten hebben laten zien dat mensen de neiging hebben koste wat het kost zin of betekenis waar te nemen, ook in het (mathematisch) onvoorspelbare of zinloze. Zie [2] blz. 241.

 

g.

In aandachtsgebied 1 t/m 4 ontbreekt steeds de lange termijn. Het is dus goed te verklaren dat het korte termijn denken van de mens beter ontwikkeld is dan het lange termijn denken.

De notie lange termijn bestond een groot deel van de evolutie überhaupt niet.

 

h.

In aandachtsgebied 1 en 2 was de impuls voor het zoeken van verklaringen (doods)angst, bezorgdheid of ongerustheid. De gevonden verklaringen voldeden (aandachtsgebied 1) of leken te voldoen (aandachtsgebied 2).

Voor aandachtsgebied 3 en 4 leken de gevonden verklaringen ook te voldoen. Ondanks onvoldoende inzicht in de materie werden verklaringen gevonden die leken te voldoen en die ook weinig kans maakten om weerlegd te worden. Ondanks onvoldoende inzicht (onvoldoende vanuit hedendaags perspectief) in de materie kon men zich dus “redden”. Anders geformuleerd: enig inzicht in de complexiteit van de dingen (op alle mogelijke gebieden, zoals we nu wel weten) ontbrak niet alleen, maar men kon er ook zonder. Er is dus vanuit het verre verleden op geen enkele wijze oog ontwikkeld voor de complexiteit der dingen.

Met het opkomen van reguliere wetenschap werd steeds duidelijker hoe ingewikkeld de dingen eigenlijk in elkaar zitten. Reguliere wetenschap is voor het grote publiek echter toch een black box. Mensen zullen dus in belangrijke mate doorgaan met het beoordelen van de werkelijkheid zonder oog voor de complexiteit der dingen.

 

 

3. Enige relevante verwijzingen

De indeling in 4 aandachtsgebieden laat duidelijk en systematisch zien welke erfenissen uit het verre verleden in ons hedendaagse brein verankerd liggen en ook dat de moderne mens daar een aantal cognitieve beperkingen aan overgehouden heeft.

De allereerst aangelegde cognitieve capaciteiten (bij aandachtsgebied 1) waren gericht op het snel nemen van beslissingen in urgente situaties. Dit is volgens mij wat Daniel Kahneman Systeem 1 noemt. Zie [4].
Kahneman geeft een groot aantal karakteriseringen van systeem 1, waarvan ik er hier graag een aantal weergeef.

  • De beoordelingen (basisevaluaties) en beslissingen gebeuren buitengewoon snel.
  • Bij onverwachte input probeert systeem 1 de situatie zo verklaarbaar mogelijk te maken en hiermee voor te bereiden op wat kan komen. 
    Als een bepaalde gebeurtenis onze aandacht trekt, gaat ons associatieve geheugen op zoek naar een oorzaak – preciezer gezegd, alle in ons geheugen opgeslagen mogelijke oorzaken worden geactiveerd.
  • Overtredingen van normaliteit worden met opzienbare snelheid en souplesse opgemerkt.
  • Basisevaluaties steunen op het associatieve geheugen. Elementen in de input worden geassociëerd (in verband gebracht) met andere zaken (gebeurtenissen, handelingen, ideeën, ontwikkelingen, enz.), met name op basis van overeenkomst, samenhang (in tijd en plaats) en causaliteit. Hieruit ontstaan dan weer nieuwe associaties, enz. 
    Associatief denken vindt vooral op de achtergrond plaats.
  • Systeem 1 verloopt geheel op de automatische piloot, kost weinig of geen inspanning, staat altijd aan en kan niet worden uitgeschakeld.
  • Systeem 1 biedt geen ruimte voor bewuste twijfel.
  • Systeem 1 toont ons de wereld als ordelijker, eenvoudiger, voorspelbaarder en samenhangender dan hij in werkelijkheid is. Deze illusies stellen ons op ons gemak en verminderen de angst. We hebben dan ook een buitensporig vertrouwen in wat we denken te weten.

Tegenover systeem 1 staat systeem 2: langzaam denken (nadenken).
Belangrijke karakteristieken volgens Kahneman:

  • Systeem 2 komt pas in actie als de situatie te ingewikkeld wordt voor systeem 1.
  • Systeem 2 vereist aandacht, zelfbeheersing, weloverwogenheid, ordelijkheid en opdeling in stappen.
  • Systeem 2 kost inspanning (kost daadwerkelijk glucose). In het algemeen zal dan ook de weg van de minste mentale inspanning gekozen worden. Mentale luiheid is in onze aard verankerd.
  • Mentale inspanning wordt in het bijzonder gevraagd bij overschakeling van taken en bij tijdsdruk.

Als we dit overzien, dan dringt zich de conclusie op dat de huidige mens (de moderne nazaat van homo sapiens) opgezadeld is met een brein dat in allereerste instantie streeft naar cognitieve rust (cognitief gemak, zegt Kahneman). Dit is te zien als een belangrijke natuurwet, maar dan geldend voor het menselijke brein. Het menselijke brein gaat pas in tweede instantie over op systeem 2, dat wel de nodige inspanning vereist.

Systeem 1 werkt dus zeer snel.
Reactietijden kunnen extreem laag zijn, zelfs wel dalen tot 5 à 10 milliseconde. Nog sterker, er zijn experimenten gedaan waarbij na een waarnemingstijd van slechts 9 milliseconde de waarneming nog effectief bleek. Zie [6].

Systeem 2 kost daadwerkelijk inspanning. De hersenen vormen slechts 2% van het lichaamsgewicht, maar gebruiken 20% van de opgenomen zuurstof en 25% van de verbrande glucose. Zie [5] blz. 144.

Oren, ogen, neus, tong en huid zijn randapparatuur, aangesloten op de computerchip van de hersenen. Zintuigen zijn erop gericht om zo snel mogelijk die informatie eruit te filteren die ertoe doet (bijdraagt aan een zo adequaat mogelijke reactie). Het verwerken van visuele prikkels neemt bijna eenderde van het brein in beslag. Zie [3].

Als een bepaalde gebeurtenis onze aandacht trekt, gaat ons associatieve geheugen op zoek naar een oorzaak – preciezer gezegd, alle in ons geheugen opgeslagen mogelijke oorzaken worden geactiveerd. Zie [4].

Geheugen, het kunnen onthouden, was dus voor onze voorouders essentiëel. Er was domweg geen andere manier om informatie vast te leggen. En het vastleggen van waarnemingen, van getrokken conclusies en van de bijbehorende valideringen was van essentiëel belang om te kunnen putten uit voldoende associaties. Hoe meer, hoe beter. Zie [5].
Door terugkoppeling wordt dan kennis en ervaring opgebouwd en steeds verder uitgebreid.
Deze architectuur zorgt ervoor dat de mens een oplossing heeft voor het overgrote deel van de vraagstukken die hij tegenkomt.

Een zeer belangrijk domein van onthouden is: wat is waar te vinden? Hoe belevenisvoller de beelden bij het wat zijn, hoe beter het onthouden lukt. Hedendaagse geheugenatleten (mnemonisten) grijpen hierop nog steeds terug. Zie [5] voor een uitgebreide en gedetailleerde verhandeling over de enorme capaciteiten van het menselijke geheugen.


Geraadpleegde bronnen

  1. Felix Eijgenraam, In dienst van de verwondering, Aramith Uitgevers, Bloemendaal, 1990
  2. Piet Vroon, Wolfsklem, De evolutie van het menselijk gedrag, Ambo, Baarn, 1992
  3. De zintuigen zijn randapparatuur, interview met hoogleraar neuropsychologie Edward de Haan, NRC Handelsblad, 21 augustus 2010
  4. Daniël Kahneman, Ons feilbare denken, Business Contact, Amsterdam, 2011
  5. Joshua Foer, Het geheugenpaleis, De Bezige Bij, 2012
  6. Hendrik Spiering, Drie gedachten per seconde, NRC Weekend, 29 december 2012